"De gedreven, expressieve po�zie van Johanna Geels maakte al indruk op het slamcircuit. In haar debuutbundel Tuig zal ook de lezer aan den lijve ondervinden welk bereik Geels heeft. Direct, dynamisch, hilarisch en uitzinnig. Stuiter mee van hoog naar laag. Hier spreekt een dichter met lef, in gedichten die beklijven." Aldus uitgeverij Atlas.
Inderdaad zijn de onderwerpen waarover Geels in haar schrijft tamelijk heftig. In het eerste gedicht maken we kennis met een meisje met ?een losgeslagen achterhoofd? dat aan zee woont. In het tweede gedicht krijgen we meteen haar dode opa: ? ik was acht en barones / belde met een oranje telefoontje / naar god (sic) // [?] mijn vader [?] riep dat god godverdomme niet thuis was? De opa zingt in de slotzin een zekere Johanna (die ik dan maar gelijkstel met de dichteres) toe: ?kun je dansen Johanna laat zien wat je kan?? Grappig dat de dichteres haar eigen naam wel met een hoofdletter spelt en die van God niet.
In beide gedichten valt al op dat er met de taal gespeeld wordt: dat ?losgeslagen? is ene woord dat niet alleen past bij een vreemd figuur, maar ook bij de zee. En dat gestotter van de vader in het tweede gedicht is een andersoortig spel, maar ook met opvallende woordkeuze. Als je erop let zie je dat Geels dat steeds, op steeds andere manieren doet. Ik kan me voorstellen dat zulke geintjes het in het slamcircuit goed doet.
Neem het gedicht ?Het is niet alles goud?, waarin de ?ik? (waar ik nog steeds de dichters in hoor, maar daar kom ik zo op terug) ?heel nodig moest plassen?, terwijl de man die bij haar is seks wil.
?Klaterstralen baby, oh ja, let it go, blossom, flow, / koel en glad sanitair om te strelen mits goed afgesopt / door een gediplomeerd poetssletje dat van de randjes weet? Dit is iets wat bij een slam de lagers op je hand krijgt: seks en humor. Geels weet hoe je dat moet doen: de schoonmaakster en passant nog even afzijken voor extra bijval. Maar het is niet zo simpel als het lijkt. De bundel heet niet voor niets ?Tuig?, dat heeft ook een weerslag op wat de ?ik? zegt en doet. Ze maakt die grapjes dus terwijl ze zich daar als dichteres van bewust is. Dat geldt ook voor de andere taalgrapjes.
Je kunt zeggen dat humor en seks niet samengaan, behalve dan heel even op het slampodium. Op papier is er sprake van wat ik het Anne Vegter-effect noem: die laatst dichteres werd verweten dat haar verhalen in ?Ongekuiste versies? te literair waren om opwindend te zijn en te geil om literatuur te wezen. Dat de lezer degene is die in de war is, en niet de auteur, werd even vergeten. Ook Geels zet die (soms wat melige) taalgrappen in met een bedoeling. Behalve talige samenhang in haar gedichten, levert het namelijk distantie op, net als bij Vegter het geval was.
Na wat gebekvecht met de man gebeurt er dit: ?ik [...] knielde / met een engelengezicht boven je hoofd / tot de laatste druppel ging ik loos / [...] gestampte rijtjes stroomden vloeiend. / Nomen, nominis, nomini, nomen, nomine. // Ik noem je / Zeikerd. ? Met haar woordsspel maakt ze het gedicht minder plat: je hoort de geluiden die je verwacht in het rijtje Latijnse woorden. Zelf is ze blijkbaar even afgeleid, associeert, en neemt de lezer mee in een breder kader dan de handeling alleen. Het gedicht eindigt met een flauwe grap: ze heeft zo het laatste woord en de macht, ook in het gedicht.
In de poezie van Geels is dus meer aan de hand dan seks of flauw woordspel: op meerdere niveaus speelt ze met de taal en is de lezer te vlug af. Wat op het slampodium te snel gaat heeft op papier nu alsnog de tijd om door te dringen.
Ik zei daarnet dat ik de ?ik? en de auteur gelijkstel in deze bundel en daarop zou terugkomen. Bij voordragen op een podium is het publiek geneigd dat ook zo te zien: wie ?ik? zegt, is dat ook. Maar ook bij close-reading is deze stelling houdbaar: het is het bestaansrecht van deze gedichten dat ze zichzelf relativeren met taalgrapjes, afleidingen van de heftige werkelijkheid die erin beschreven wordt. De dichteres kan niet anders, om haar thema?s bespreekbaar en verteerbaar te maken. Ze zijn het tuig waaraan de dichteres haar zijlen kan hijsen, de wind in hoort fluiten.
In de gedichten waar de taal minder bindmiddel is en Geels letterlijker is, is ze meteen een stuk minder verrassend, zoals in ?Langszij?: ?zo leef ik nu / langs orde en wegen / schilderijen sonates / scheurende gitaren // langszij?. De scheepvaartterm bindt het gedicht aan de lijn van zee-achtige metaforen, dat wel. In het slotgedicht sluit ze letterlijk af en: ?laat de sleutel in mijn zak glijden // die met het gat // ik zal hier niet meer komen?. Ze vergist zich niet, deze dichteres. Ze gaat naar het strand, het strand van het meisje met het ?losgeslagen hoofd?, op zoek naar nieuwe verten.
Hanz Mirck