Het zal niet voor niets zijn dat de hoofdpersoon van de nieuwe roman van Esther Gerritsen Dominique heet, tot de Heer behorend. In
De kleine miezerige god is er echter eigenlijk geen god tot wie ze behoort, er is een god die haar eigendom is.
Dominique bezoekt trouw haar dementerende moeder al weet ze eigenlijk niet voor wie. Haar moeder herkent haar meestal niet, dus voor haar hoeft ze het niet te doen en Dominique wil ook niet erkennen dat ze het voor zichzelf doet. 'Dan, dacht ze laconiek -als was het een grap- doe ik het nog liever voor god. Iemand moest toch de schuldige zijn en deze bezoeken van haar eisen. En hup, daar was god. Hij kwam zo ongelofelijk goed van pas. Haast geruisloos nam hij zijn plek in.'
Haar zelfgeschapen god is voorlopig alleen een woord, maar ze bespeurt gedachten als 'Het is maar goed dat je vader dit niet hoeft te zien!' wat moeder vroeger wel tegen haar zei. Maar Dominique voelt zich op dat moment waargenomen en ze denkt, schertsend nog, dat het wel 'god' moet zijn.
De god van Dominique is een nabije god. Ze tutoyeert hem en haalt hem zo naar zich toe. Hij is een getuige van wat haar overkomt en stiekem hoopt ze dat hij ook invloed zal hebben op de gebeurtenissen, maar daar blijkt weinig van. Ze verwijt dat 'god' ook wel, maar het is een verwijt dat ze ook weer terugneemt: 'Och, kleine machteloze god, het spijt me, ik kan jou niets verwijten, behalve jouw toekijken en dat je me ziet zoals ik niet gezien wilde worden. Wat doe ik toch, wat doe ik toch.'
Dominique leidt een wat eenzaam leven. Ze woont pas twee maanden in Amsterdam en kent daar nog weinig mensen. Haar onderbuurvrouw, mevrouw Jovkov, vindt ze eerder opdringerig en ze ontloopt haar. Ze werkt als dramatherapeute, maar heeft geen echt contact met haar collega's. Totdat ze Kris ontmoet.
Kris is een uitzonderlijke lelijke man, die een zekere onverstoorbaarheid heeft, net zoals Dominiques onderbuurvrouw. Maar het wordt wat tussen hen, zoals ook de onderbuurvrouw steeds meer een vriendin wordt.
Dominique raakt zwanger van Kris. Als ze besluit dat ze het kind wil en dat het geboren zal worden, denkt ze dat dat wel de opzet van ?god? moet zijn. 'Maar Dominiques god wist van niets. Haar god lette niet op. Als hij dat wel had gedaan had hij haar kunnen zeggen: Bespaar je de moeite. Bespaar je de moeite van het wennen aan dit nieuwe idee, want dat kind van jou, dat zal niet komen. Niet als ademend, roze spartelend en krijsend wezen.' Maar dat zegt de kleine god dus niet. Dat zegt de verteller, die het verhaal overziet, die weet wat voor ellende Dominique boven het hoofd hangt, die het opperwezen is dat alles in het boek bestuurt.
De god van Dominique is natuurlijk een constructie en ze weet het. Ze heeft hem in het leven geroepen om gezien te worden, omdat er toch iemand moet zijn die moet weten wat haar allemaal overkomt. Maar in de loop van het boek blijkt die constructie haar te ontglippen, blijkt de fictie haar eigen gang te gaan.
Misschien is het juist wel de creatie van 'god' die haar ook vatbaar maakt voor God. Haar vader, die al lang geleden overleden is, had een verzameling platen met bluegrassmuziek (folkmuziek met als kenmerkende instrumenten onder andere de banjo en de mandoline) en Dominque begint naar die muziek te luisteren. En dat troost haar, hoe lastig ze dat ook vindt uit te leggen aan haar omgeving. 'Weet je wanneer het goed is, wanneer alles rustig wordt in mij? Als ik meezing met Ralph Stanley. Als ik zing dat ? hij aan het kruis hangt (?). Hij hangt daar, gekruisigd, en hij heeft overal pijn en wij zingen over die pijn. Want hij hangt daar ? voor ons.'
Het kind van Dominique en Kris blijkt niet levensvatbaar te zijn. Buiten haar kan het niet leven. Als het kind overleden en gecremeerd is, besluit Dominique een daad te stellen. Ze reist naar Amerika, waar ze haar onderbuurvrouw aflevert bij haar dochter en zelf reist ze door naar een bluegrassfestival, waar ook Ralph Stanley zal optreden. Zonder dat ze het weet, reist Kris haar na.
Het is wel een erg grote stap voor iemand die tot dan toe bepaald niet krachtdadig overkomt. Het duurde even voor ik als lezer de stap ook wilde zetten. Ik vraag me af hoe logisch die volgt uit het voorgaande. Het lijkt wel of ook de schrijfster er moeite mee had. Opeens zijn er enkele hoofdstukken waarin het perspectief niet meer bij Dominique ligt, maar bij Kris.
Dominique stapt af van de onmachtige god die ze gecre�erd heeft. Ze wil een god die ze met 'u' zal aanspreken en ze vraagt of die zich kenbaar wil maken. ?Maak me gewillig. Ik voel uw ogen, nu uw armen nog.? Gods armen blijken wijd te zijn en ze kunnen de hele wereld omhelzen. Dominique ervaart het als ze bij het concert is en luistert naar de muziek van Ralph Stanley. Ze weet niet dat Kris dicht bij haar is.
Het boek eindigt met die nabijheid van Kris en hij lijkt hier samen te vallen met een god die wacht op ?op een geluid, een beweging, een vraag. Iets waarop hij kon antwoorden: 'Hier'. Het is een bijzonder liefdevol slot. Het lijkt alsof Dominique wat ze zoekt in gedachteconstructies die ze 'god' noemde onder handbereik heeft. De nabijheid, de liefde, blijkt vlakbij te zijn. Misschien dat ook daarom enkele hoofdstukken verteld zijn vanuit Kris; er is een instantie buiten Dominique, iemand die zijn oog op haar laat rusten.
Het lijkt me niet dat Esther Gerritsen nu ineens een christelijke roman heeft geschreven. Wel laat ze in Dominique zien dat de mens er misschien wel niet op gebouwd is om het leven alleen te leven. Je hebt nabijheid nodig en blijkbaar niet van een iets, maar van een iemand en desnoods van een Iemand.
De kleine miezerige god (roman)
Esther Gerritsen. Uitg. De Geus, z.pl. 2008; 316 blz. ? ?